Strijpenpolder:
In het stroomgebied van de Mark, ten westen van Breda, bezit Staatsbosbeheer verschillende natuurgebieden. Het zijn veenpolders in het gebied de Haagse Beemden, dat behoorde tot het boezemgebied van de Mark. Tot eind jaren 60, toen de Mark werd gekanaliseerd, verbreed en verdiept, liepen deze polders in de winter vol water. Daarna kwam dat vrijwel niet meer voor. Ook werd de grondwaterstand ten behoeve van de landbouw flink verlaagd. Bodemverdroging was het gevolg en daarmee een sterke achteruitgang van de variatie aan planten, vogels, vlinders, libellen, enz.

Geleidelijk aan heeft SBB meer grond in beheer gekregen en wordt er gewerkt aan het onderling verbinden van deze gebieden. Het waterpeil in de polders is verhoogd, maar vervuild oppervlaktewater wordt zoveel mogelijk “buiten de deur” gehouden. Het maaibeheer stuurt aan op verschraling van de bodem, waardoor de variatie aan bloeiende planten weer zal toenemen. Hopelijk keren dan ook andere natuurwaarden terug. In de drassige terreinen zijn de rietgors en de bruine kiekendief dit voorjaar gezien.
In de Strijpenpolder zijn oude veenputten (petgaten) te vinden en ook elzenbroekbos, moerassen en hooilanden. De plantengroei in de waterrijke delen ziet er al veelbelovend uit.

Kelsdonk/Zwermlaken:
Vanuit de Toekomstvisie Noordrand-West (augustus 1998) is voor het natuurgebied Kelsdonk/Zwermlaken wat bekend over de huidige natuurwaarden. Er wordt gesteld dat door het huidige gebruik van graslanden nog nauwelijks floristische en/of vegetatiekundige waarden aanwezig zijn. In Kelsdonk is wel een aantal indicatiesoorten aangetroffen die voorkomen in kalkrijk water (o.a. Puntig fonteinkruid en Rossig fonteinkruid). Voornamelijk langs sloten en greppels komen nog relicten van de vroeger aanwezige levensgemeenschappen voor, zoals Blauwe knoop, Dotterbloem, Moeraszoutgras, en diverse Zeggesoorten. In de sloten komen nog plantensoorten van matig voedselrijk water voor die ten dele afhankelijk zijn van schoon en gerijpt kwelwater (o.m. Waterviolier, Naaldwaterbies en Holpijp). Andere opvallende plantensoorten zijn Aarvederkruis, Grof hoornblad, Groot blaasjeskruid, Kikkerbeet, Kransvederkruid, Kranswieren, Moeraswederik, Pijptorkruid, Slanke waterweegbree, Veldrus, Waternavel, Waterzuring, Wilde Bertram, Grote waterranonkel, Kalmoes, Stijve waterranonkel en Zwart tandzaad (De Rooij, 1997).

In de Ettensche Beemden/Kelsdonk komen een aantal Elzenbroekbossen, Elzenwilgenbossen en Wilgenbossen voor. Opvallende soorten in deze bossen zijn: Elzenzegge, Melkeppe, Pijptorkruid, Wilde gagel, Zwarte bes en Veenmos (De Rooij, 1997).

Strijpen/de Berk:
In de schraallandrelicten en veenputten van De Berk komen onder meer nog bijzondere soorten voor als Draadzegge, Veenpluis, Padderus, Blauwe zegge, Stijve zegge, Kruipwilg, Lage zegge, Groet ratelaar, Wateraardbei, Spaanse ruiter, Blauwe knoop, Kruipend zenegroen, Dotterbloem, Moeras- en Hondsviooltje. De vegetaties vertonen verdrogings- en verzuringsverschijnselen (oprukkend Veenmos en Pijpenstrootje).

Weimeren:
Dit gebied kenmerkt zich door een voedselrijk karakter met plaatselijk Glanshaverhooiland en Grote zeggemoeras. Plaatselijk zijn eutrafente verlandingsvegetaties aanwezig met Overzegge, Hoge Cyperzegge, Pluimzegge, Moeraszegge en soms Poelruit of Blaaszegge. Andere putten complexen worden gekenmerkt door Hennegras en Riet- en Brandnetel-Braamruigten of worden gedomineerd door wilgenstruweel of elzenbos. Toch komen hier elementen van een voedselarmer milieu wel voor zoals Dotterbloem, Waterviolier, Waternavel en Wateraardbei.
Overgangsgebied van zand naar klei:
In het overgangsgebied van zand naar klei kwamen tot begin jaren ’60 kritische soorten voor als Krabbescheer, Vlozegge, Groenknolorchis, Kleine Valeriaan, Melkviooltje, Bevertjes, Vleeskleurige orchis en Moeraskartelblad, deze zijn daarna verdwenen. Ronde zegge, Dotterbloem, Waterviolier en Waterdrieblad zijn sterk achteruitgegaan en schraalgraslanden zijn vrijwel verdwenen. Nog steeds komen er redelijk wat botanische waarden voor (elementen van het Veenmosrietland, Borstelgrasland, Blauwgrasland, Dotterbloemgrasland en Grote Zeggeverbond).

Fauna:
Bij zoogdieren en bij de amfibieën en reptielen is geen sprake van een opvallende soortenrijkdom. De voorkomende soorten zijn vooral afhankelijk van de aanwezige veenputten in het gebied die dienen als schuilgelegenheid, foerageerplek en voortplantingsplaats.

Vogels komen in grote getale voor. In de Ettense Beemden komen weidevogels als Grutto, Watersnip en Tureluur voor. Daarnaast komen in de nattere delen van het gebied Moerasvogel voor als Blauwborst, Bruine kiekendief, Rietzanger, Sprinkhaanrietzanger en Waterral. Wintergasten als de Kleine zwaan komen voornamelijk in het noorden van het gebied voor in de agrarische percelen. Langs de Laakse Vaart zijn tussen de Hoevense weg en de Kuierstraat IJsvogels en Steenuilen waargenomen.
Wat betreft zoogdieren komen in het gebied voor: Waterspitsmuis, Ondergrondse woelmuis, Aardmuis, Bunzing, Wezel, Hermelijn en verschillende soorten vleermuizen (Commissie beheer landbouwgronden, 1987). Otter en das zijn uitgestorven in het gebied en de libellen Groene glazenmaker en de Glassnijder zijn sinds de jaren ’70 niet meer waargenomen (IWACO, 1998).

Landschap en cultuurhistorie:
Op de historische kaart van 1894 is het gehele gebied grasland, met uitzondering van enkele percelen bouwland in het zuidelijke gedeelte. In het gebied ligt een aantal natte laagtes, deze zijn voornamelijk geconcentreerd rond Kelsdonk, Zwermlaken, de Leemblokken en het huidige gemaal de Emmer.

De waterloop langs de Rioolseweg is omstreeks 1300 gegraven voor het vervoeren van turf (moernering). Het gebied vormt in die tijd een uitgestrekt beemdengebied op de overgang van de zuidelijke bouwlanden en moerneringsgebieden en het noordelijk gelegen gorzenlandschap. De beemden waren graslanden die af en toe door de rivier overstroomd werden en waar men na de hooioogst het vee op weidde. De ontwatering van de beemden vond aanvankelijk plaats op kleine schaal door greppels en sloten. Door de aanleg van turfvaarten werd de ontwatering beter en trad er klink op in de veengebieden. Vervolgens zijn er door de toenemende overstromingen dijken aangelegd. In het gebied is geen sprake geweest van grootschalige turfwinning. Wel werd tot in de 20e eeuw turf gestoken voor eigen gebruik.
In het gebied ligt een aantal wielen. Dit zijn doorbraakkolken, rond of ovaal van vorm, die ontstaan zijn bij historisch dijkdoorbraken. Ze zijn relatief klein, liggen vaak geïsoleerd en kunnen diep en ondiep zijn. Ten oosten van de Rioolse weg lag vroeger de Laakse Vaart. De Rioolseweg is gelegen op de vroegere dijk langs de Laakse Vaart.
Een belangrijk landschappelijk aspect is de perceelvorm van de graslandkavels in het gebied Kelsdonk. Deze zijn lang en smal, typerend voor verkaveling in de veengronden. Daarnaast zijn enkele kleine turfgaten complexen, de zogenaamde frikbosjes. Die zijn dichtgegroeid met Broekbos.
De Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant waardeert de volgend elementen in het gebied:
• Historisch Geografische Waarden hoog: Strijpen-De Berk en Zwermlaken.
• Historisch Geografische Waarden redelijk hoog: Weimeren en het gebied rondom Hillekens (ten zuiden van Kelsdonk).
Voorts is historisch groen aanwezig in de volgende gebieden: Weimeren, Briel, het Zandwiel, natuurreservaat de Berk, natuurgebied De Strouw en in en rondom het Achtergat.
Een deel van het plangebied is op de ‘Indicatieve kaart van archeologische waarden (IKAW)’ van de Provincie aangeduid als ‘hoog of middelhoog’. Het gaat hierbij om de gebieden rondom de Brielse Dreef, rondom natuurgebied De Stouw en net ten noorden van Etten-Leur.

 

Eigenaar:

Staatsbosbeheer.
staatsbosbeheer

 

 

Volg ons op flogo RGB HEX 72Facebook en IG Glyph FillInstagram.